"EVEN SCHRANDER ALS VRIENDELIJK,

EVEN RECHTVAARDIG ALS GOEDAARDIG"

Sophie von Sachsen-Weimar:

Beschermvrouwe van de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft[1]


Christa Jansohn

 

 

Op 23 maart 1897 overleed op 73-jarige leeftijd de Groothertogin Sophie von Sachsen- Weimar, Prinses der Nederlanden. Het overlijden van deze beschermvrouwe van de wetenschap, literatuur en kunst, die onvermoeibaar streed voor sociale verbeteringen, betekende niet alleen een groot verlies voor de stad Weimar en omgeving; ook voor veel van de door haar gesteunde instellingen buiten Weimar betekende haar overlijden een ernstige breuk. Hoe de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft zich ook verder zou mogen ontwikkelen, zo stelde Paul von Bojanowski, "op de eerste 33 actieve jaren van het Genootschap [heeft] deze onvergetelijke beschermvrouwe met haar opmerkelijke deelname en enthousiasmerende steun een bijzonder stempel gedrukt. De naam van Groothertogin Sophie staat met gouden letters in de annalen van de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft."[2]

Vergelijkbare uitlatingen werden gedaan door vertegenwoordigers van andere door de Groothertogin gesteunde ondernemingen waaronder de Goethe-Gesellschaft, het Goethe-Schiller-Archiv, en de Sophienstift. Niemand heeft echter beter het wezen van deze vrouw weten te treffen dan de dichter Paul Heyse, wiens ontroerende verzen een maand na haar dood verschenen in de Weimarische Zeitung (24 april 1897). Onder de weinigzeggende titel "Großherzogin Sophie von Sachsen" vinden wij een genuanceerde karakterschets:

Doch schwand sie auch für immer unserm Blick,
Bewegten Herzens preis' ich das Geschick,

Das in der Fürstentochter offenbart,
Hoheit mit reinstem Frauenwert gepaart,

Ein segensreich erhabnes Menschenbild,
So klug wie gütig, so gerecht wie mild.[3]

Anderen, zoals de Britse cultuurhistoricus Thomas Carlyle, noemden de Groothertogin een "wijze en uitzonderlijke vrouw." Eleonore von Bojanowski liet zich er zelfs toe verleiden om de lieflijke Portia van Shakespeare te zien als bloedverwante van de vorstin; bezat de Groothertogin niet dezelfde eigenschappen als het personage uit de Koopman van Venetië; was ook zij niet iemand die "met een mannelijke aard het beslissende oordeel velt, zonder hierbij enigszins aan edele vrouwelijkheid in te boeten"?[4] Op een andere wezenlijke karaktertrek van Sophie wijst de toneelschrijver Friedrich Hebbel. Voor hem was de Groothertogin "niet alleen een edele, maar ook een diepzinnige vrouw [...]. Er is niets dat niet met haar te bespreken zou zijn."[5]

Een gewillig oor vonden ook de oprichters van de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft, met name Wilhelm Oechelhäuser, die met zijn Ideen zur Gründung einer Deutschen Shakespeare-Gesellschaft (1863) in de openbaarheid trad, en in het bijzonder de toenmalige Generaal-Intendant Franz Dingelstedt voor zijn plannen hoopte te winnen.[6] Deze laatste reageerde allereerst terughoudend. Vervolgens werd de Groothertogin op de hoogte gesteld van de plannen van Oechelhäuser, waarschijnlijk door haar Ierse privé-secretaris en voormalig docent, James Marshall (1805-1881), die het later zelfs zou brengen tot bestuurslid.[7] De Groothertogin las de brochure en gaf Dingelstedt de opdracht om de zaak ter hand te nemen. Haar bemiddeling was niet zonder succes, en

op de verjaardag van de dichter, 23 april 1864, vond de oprichting van de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft plaats, en werden de door mij [Oechelhäuser] ontworpen statuten aangenomen: [Hermann] Ulrici werd voorzitter. Ikzelf werd tot eerste en Dingelstedt tot tweede vice-voorzitter gekozen. De Groothertogin van Sachsen is officieel Beschermvrouwe geworden van het genootschap waaraan zij voorheen haar deelname reeds op daadkrachtige wijze heeft gemanifesteerd.[8]

Hiermee werd de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft het eerste letterkundige genootschap in Weimar. Met het mecenaat van de Groothertogin begon de stad tevens een waardige plaats in te nemen op het nationale en internationale culturele podium.

De Deutsche Shakespeare-Gesellschaft gaf blijk van zijn eerbied en dankbaarheid door alle 33 delen van het Shakespeare-Jahrbuch (1865-1897) op te dragen aan:

Ihrer Königlichen Hoheit
Der Frau Grossherzogin
Sophie von Sachsen
Geb. Prinzessin der Niederlande
ehrfurchtsvoll.

De deelname van het Genootschap aan vreugdevolle maar ook aan stemmigere familie- evenementen getuigt in ieder geval van verbondenheid tussen de Shakespeare-vrienden en hun beschermvrouwe (Shakespeare-Jahrbuch 18 [1883], 35). Het eerbetoon is bijzonder hartelijk in de opdracht die voorafgaat aan het eerstvolgende jaarboek, een tekst die, zoals duidelijk wordt uit het oorspronkelijke handschrift in het huisarchief van het Groothertogdom Sachsen (Thüringisches Hauptstaatsarchiv Weimar, Hausarchiv A XXVII, Nr. 222a), van niemand minder is dan Friedrich Bodenstedt, de eerste redacteur van het Jahrbuch. De toewijding eindigt met de volgende regels van lof:

Du gabst unserm Wirken
Ein schützendes Obdach,
Du pflanztest den Baum,
Dess Früchte wir bringen:
Nimm auch diese Blume
Des Dankes dazu!

De Deutsche Shakespeare-Gesellschaft floreerde inderdaad, zij het niet zonder de gebruikelijke kinderziektes. Eén jaar na de oprichting had het genootschap ongeveer 130 leden, die jaarlijks elk een bijdrage van drie daalders leverden en daarvoor gratis een exemplaar van het jaarboek ontvingen. Ook toen het aantal leden gestaag bleef stijgen in het boekjaar 1868-1869 telde de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft reeds 193 leden waren de inkomsten te gering om hiervan op bevredigende wijze ook de oprichting van een Shakespeare-bibliotheek te verwezenlijken, die in de statuten was opgenomen. Om die reden was het van onschatbare waarde dat de Groothertogin steeds op uiterst gulle wijze in eigen buidel tastte. Zij droeg niet alleen 500 daalders bij voor de oprichting van de bibliotheek, maar schonk zelf ook waardevolle boeken en documenten (Shakespeare-Jahrbuch 1 [1865], xiv). Hiertoe behoren fotolithografische reprodukties van de eerste Folio-uitgave, van het testament van Shakespeare, en van het koopcontract van zijn huis in Blackfriars (Shakespeare-Jahrbuch 2 [1867], 13-14). In april 1869 bezat de bibliotheek al zo'n 400 boekdelen, en Hermann Ulrici bedankte in zijn jaarverslag met nadruk de Groothertogin: "Wir verdanken diese Bereicherung an durchgängig werthvollen Werken vor Allem der unerschöpflichen Güte Ihre Königl. Hoheit der Frau Grossherzogin, die wiederum zum Besten der Bibliothek einen Beitrag von 100 Thlrn. gnädigst bewilligt hat" (Shakespeare-Jahrbuch 5 [1870], 3). Ook in latere jaarverslagen leest men verwijzingen naar de bibliotheek die gestaag groeit, en dit "[d]ank des besonderen Schutzes und der fortwährenden reichen Gaben Ihrer Königl. Hoheit der Frau Grossherzogin, unserer allergnädigsten Lady Patroness [die] als Erhalterin und allzeit Mehrerin dieses literarischen Reichs bezeichnet werden kann und der wir für Ihre unerschöpfliche Güte nicht genugsam danken können" (Shakespeare-Jahrbuch 7 [1872], 3). Door de niet aflatende vrijgevigheid van Sophie groeit de boekenverzameling gestaag (Shakespeare-Jahrbuch 13 [1878], 13), en de bibliotheek in Weimar wordt al enkele jaren na de oprichting, voor het eerst in 1875, geprezen als "de meest opzienbarende op het Europese continent," een predikaat dat vandaag de dag nauwelijks meer van toepassing is, hoewel in het bijzonder de talrijke vroege vertalingen zeker een waardevolle collectie vormen, een essentieel onderdeel van de Duitse Shakespeare-receptie.[9]

Niet alleen de bibliotheek, maar ook het kapitaal van de Shakespeare-Gesellschaft leek in die jaren, ondanks enkele tegenslagen, te floreren. In 1879 stelde Wilhelm Oechelhäuser vast

daß die finanziellen Verhältnisse unserer Gesellschaft zum großen Theile in Folge der Munifizenz unserer erhabenen Protektorin, vollkommen geordnet sind, so daß sogar ein Bestand von ca. 3000 Mark zinsbar hat angelegt werden können.

                       (Shakespeare-Jahrbuch, 15, [1880], 20)

De toenmalige hoogconjunctuur (al was deze maar van korte duur) zou menig actief lid van vandaag wel eens moedeloos kunnen stemmen. In deze en in andere situaties zou het echter vruchtbaarder en produktiever zijn om, net als de Groothertogin, het motto ter harte te nemen van het Huis van Oranje Je maintiendrai dat zij ooit omschreef met de woorden: "Die Herrschaft über sich selbst ist die Vorbedingung für jegliche Thätigkeit und für ernsthafte, gewissenhafte Ausführung übernommener Pflichten" (Schmidt, ii).

Zij beschouwde het ook als haar plicht om een groter publiek kennis te laten maken met de Engelse dichter; want hoewel Shakespeare door Duitse wetenschappers vlijtig werd bestudeerd, schenen zijn werken toch maar een betrekkelijk kleine kring te bereiken. Op aanraden van Sophie werd het project van de volksuitgave door Wilhelm Oechelhäuser gerealiseerd, en in 1891 verscheen bij de Deutsche Verlagsanstalt te Leipzig dan ook een heruitgave van "W. Shakespeare's dramatische Werke. Vertaald door August Wilhelm von Schlegel en Ludwig Tieck. Uitgegeven in opdracht van de Deutsche Shakespeare- Gesellschaft, en ingeleid door Wilhelm Oechelhäuser." Voor dit werk in één band hoefden slechts drie Duitse marken te worden neergeteld. Net als de jaarboeken van de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft, was ook deze goedkope volksuitgave aan de Groothertogin opgedragen ("Ihrer Königlichen Hoheit der Frau Großherzogin Sophie von Sachsen geb. Prinzessin der Niederlande ehrfurchtsvoll gewidmet"). In de eerste zes maanden verschenen er 6 oplagen van elk 2000 exemplaren, en in 1903 beleefde de band zijn dertigste oplage (Wolfgang von Oechelhäuser, 125). In 1892 deelt de voorzitter in zijn jaarverslag mee dat er tijdens het eerste jaar al 17.000 exemplaren zijn verkocht, wat op dat moment acht maal zoveel is als de gezamenlijke verkoop van alle andere Duitse Shakespeare-vertalingen. "Het doel van een grotere verspreiding van onze dichter onder de middenklasse en de arbeidersklasse lijkt op deze wijze boven verwachting verwezenlijkt te worden."[10]

Het mecenaat van de Groothertogin beperkte zich niet tot de financiële steun en een adviserende rol. De Groothertogin nam ook zelf actief deel aan de activiteiten van de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft. Bijna zonder uitzondering bezocht de beschermvrouwe de jaarvergaderingen, en haar oplettendheid en de betrokkenheid waarmee zij de lezingen volgde, en ook haar exacte, vakkundige vragen gaven overduidelijk aan "daß die Fürstin ihres Amtes nicht im Sinne einer bloßen Formerfüllung waltete, sondern in der echten Freude an der wissenschaftlichen, an der literarischen Arbeit."[11]

De verantwoordelijkheid die zij jegens haar mecenaat voelde, valt niet los te zien van de bekentenis die de Groothertogin ooit deed in een andere context, namelijk dat het haar altijd grote voldoening gaf om haar verplichtingen na te komen, een houding die teruggaat op haar jeugd en haar opvoeding.[12]

Tot haar tiende levensjaar bracht Sophie gewoonlijk de winter door in Den Haag, met haar ouders, Willem van Oranje, later Koning Willem II der Nederlanden, en Anna Pawlowna, een dochter van Tsaar Paul de Eerste van Rusland. De zomer bracht zij door in een kleine Hollandse boerderij in Soestdijk, waar zij, zoals Jutta Hecker meedeelt, bloemen kweekte en dieren verzorgde, leerde melken, boter en kaas maken, kookte en bakte, en rondliep op klompen.[13] Nederlands of Frans kon zij echter nauwelijks schrijven. Juist Frans (niet Engels) werd later haar lievelingstaal, de taal ook waarin zij bij voorkeur met de voorzitter van het Duitse Shakespeare-Genootschap, Wilhelm Oechelhäuser, van gedachten wisselde.[14]

Het verblijf in Soestdijk vormde een belangrijke basis voor haar neiging tot praktisch handelen, die net zo sterk was ontwikkeld als haar diepzinnige, godsdienstige aard en haar levendige intelligentie, die door haar vader maar ook door haar privé-docenten, waaronder de reeds genoemde James Marshall, werden gestimuleerd. Met grote voorliefde las zij de godsdienstige werken van Pascal, en verdiepte zij zich in essays van Sir Francis Bacon over staat en politiek, nam zangles, begeleid door Franz Liszt aan de piano (Hecker, 58), en schreef versregels van Engelse en Franse dichters in haar poëzie-album, waarin zij ook zorgvuldig bloemen droogde een mooi voorbeeld van Sophies liefde voor zowel de natuur als de literatuur.[15]

Reizen naar Italië, Rusland en Engeland boden Sophie de gelegenheid om zich intensiever met de dichters en denkers bezig te houden. Zo zou zij in Engeland de werken van Shakespeare op het toneel levendiger vinden dan in haar vaderland, waar de receptie zich toch op een minder hoog niveau bevond.[16] Een aan de Schlegel-Tieck-vertaling verwante Nederlandse vertaling, die van Burgersdijk, kwam pas tijdens de periode tussen 1886 en 1888 op de markt, en Nederland heeft pas sinds 1993, samen met Vlaanderen, officieel een Shakespeare-Genootschap. Het is niet eenvoudig om de belangstelling die de Groothertogin voor Shakespeare aan de dag legde precies te verklaren. De Nederlandse biograaf van Wijk suggereert dat zij bovenal "de zeggenskracht, de mensenkennis [en] het gezonde realisme" aan de Engelse toneelschrijver en dichter bewonderde.[17] Eleonore von Bojanowski ziet in As You Like It en Merchant of Venice de favoriete stukken van Sophie:

Wenn aus der Auswahl der betreffenden Stücke auf eine Vorliebe der Fürstin geschlossen werden darf, so behauptet auch hier die von dichterischem Zauber umflossene Mischung ausgelassenster Schalkheit und tiefsinniger Lebensweisheit von "Wie es euch gefällt" den ersten Platz, daneben der "Kaufmann von Venedig"; es ist wohl begreiflich, daß für die großzügig gezeichneten Gestalten der mittelalterlichen Beherrscherin der Meere die Tochter der Niederlande ein besonderes Wohlgefallen hegte.[18]

Zelf was de Groothertogin literair niet actief, ook al vindt men in de van haar overgeleverde uitspraken vaak diepzinnige wijsheden, zoals die waarmee zij Franz Liszt, die in Weimar woonde en werkte, wilde beschermen tegen roddel en praatjes: "Laat mij iemand zien die zijn [=Liszts] sterke eigenschappen deelt, pas dan zal ik ook genoegen scheppen in zijn zwakheden" ("Zeigt mir einen, der seine Vorzüge besäße, so will ich mir auch seine Schwächen gefallen lassen," Hecker, 58); of de motto's die zij jaar in jaar uit persoonlijk meedeelde aan de verpleegsters van het Sophienhaus: "Jeder dieser Sätze ist," zoals Paul von Bojanowski het zegt, "im eigenen Leben tief empfunden, gereift in eignem Nachdenken und rastloser Arbeit an der eigenen Vervollkommnung."[19] De Groothertogin had tot op hoge leeftijd een fijn gevoel voor humor en was ook vrolijk gestemd, maar in haar diepe wezen was zij een ernstige vrouw vooral door de noodlottige gebeurtenissen in de familie en bij tijd en wijle was zij ook melancholisch gestemd. Zo schreef zij op een dag:

Wij kennen allemaal van die momenten in ons leven waarop de gedachte zich opdringt die Goethe zo mooi heeft verwoord: Wie nooit zijn brood at zonder tranen enz., waarmee ik zeggen wil dat degene die de ware ernst van het leven niet aan den lijve heeft ondervonden, niet doorgedrongen is tot het hoogste en het meest verhevene dat de ziel ervaren kan en dat het karakter hard maakt als staal.[20]

Haar eerste bezoek aan Weimar vond plaats in juli 1834, toen de 16-jarige Sophie haar tante, de Groothertogin Maria Pawlowna (1786-1859) bezocht, die was getrouwd met de Groothertog von Sachsen-Weimar, Carl Friedrich (1783-1853). Hier ontmoette de Nederlandse prinses voor het eerst de zoon van de familie, haar aanstaande gemaal, Carl Alexander (1818-1901), met wie zij op 8 october 1842 in Den Haag trouwde. Vervolgens reisde zij met hem naar Weimar; in de winter woonden zij in Weimar, in de zomer in Ettersberg. In de jaren negentig bracht de Groothertogin acht weken door op Helgoland "acht weken vrij van plichten en ceremonieel, acht weken om mij alleen over te geven aan de eenzaamheid en mijn eigen gedachten" (Hecker, 49).

Toen op 8 juli 1853 haar gemaal Carl Alexander de regering van zijn overleden vader overnam, begonnen ook voor de Groothertogin de plichten als vorstin. Op haar aandringen ging men over tot de oprichting van een aantal instellingen voor het algemene nut. Zo zette zij zich in voor een betere opleiding voor meisjes uit de middelbare stand, en richtte zij een HMS op, de zgn. Sophienstift, waar zij betrokken was bij het onderwijsplan, het personeel, en de tentamens. Ook kwam er een instelling voor doven en blinden, evenals een kuuroord in Sulza, en een onderkomen voor diaconessen in Weimar, en vervolgens een ziekenhuis, het Sophienhaus. Daarnaast was zij, in samenwerking met de vrouwenbewegingen, betrokken bij de oprichting van fabrieksscholen, en zette zij zich op veel plaatsen in voor kleuterscholen.[21]

Deze maatschappelijke en godsdienstige betrokkenheid werd verrijkt door haar deelname aan het culturele leven in Weimar. Haar daadkracht en verantwoordelijkheidsgevoel komen duidelijk tot uiting in de enthousiaste en gewetensvolle wijze waarop zij zich inzette voor de handschriften-collectie van Goethe, die de neef Walther von Goethe bij testament met het volste vertrouwen aan haar naliet.[22] Een dag na de dood van Walther von Goethe, op 15 april 1885, werd het testament openbaar gemaakt, en de Groothertogin zou bij het voorlezen ervan gezegd hebben: "Ik heb geërfd, en heel Duitsland zal met mij erven." Nog diezelfde maand liet zij de nalatenschap overbrengen naar haar kasteel. Zij onderwierp het materiaal persoonlijk aan een kritisch onderzoek, en toen zij stiet op twee banden erotica en priapeia, werden deze onmiddellijk uit de nalatenschap verwijderd, om op haar verzoek in een geheim archief te worden opgeslagen.[23] Belangrijker dan het voor deze tijd karakteristieke puritanisme waren echter de verdere besluiten van de Groothertogin, waarvan zij zich verzekerde dat deze ook zouden worden uitgevoerd: naar het voorbeeld van de Shakespeare-Gesellschaft werd in juni 1885 een Goethe-Gesellschaft opgericht, waarvan Groothertog Carl Alexander beschermheer werd.[24] Verder werd nog een biografie van Goethe gepland, maar deze bleek uiteindelijk niet uitvoerbaar. Wel werden er nog andere handschriften aangeschaft (waaronder de briefwisseling tussen Schiller und Goethe), en werd er een wetenschappelijke uitgave van het volledige werk van Goethe ter hand genomen. Het werk hieraan vorderde gestaag. Ook op dit terrein liet de Groothertogin niets gebeuren dat niet haar volledige goedkeuring had. Zo bestond er een vaste afspraak met de uitgevers die er geen twijfel over liet bestaan wat de rol was van de Groothertogin.[25] In 1887, niet meer dan twee jaar na de dood van Walther von Goethe, verschenen de eerste delen van wat bekend werd als de Weimar-uitgave, ook wel Sophie-uitgave genoemd, die uiteindelijk in 1919 werd afgesloten. Deze editie omvat in totaal 143 banden, en is tot op de dag van vandaag de meest volledige uitgave van het werk van Goethe.

Geleidelijk aan werd, met de talrijke nieuwe aanwinsten, het archief in het kasteel te klein. Al snel werden daarom plannen gemaakt voor de bouw van een archiefpand, het huidige Goethe- und Schiller-Archiv. Het plan werd in 1892 bekendgemaakt, en ter financiering ervan droeg de Groothertogin 400.000 rijksmarken bij uit haar privé-kas; zelf had zij het toezicht over de bouw. Op 28 juni 1896 werd het archief, het eerste letterkundige archief in Duitsland, geopend in aanwezigheid van talrijke eregasten en afgezanten van verschillende letterkundige genootschappen. Dit pantheon biedt vandaag de dag niet alleen onderdak aan de nalatenschap van Goethe en Schiller, maar verder nog aan 111 persoonlijke nalatenschappen, het bestand van 8 instellingen, en een handschriftenverzameling waarin ongeveer 3000 auteurs vertegenwoordigd zijn.[26] Ook de akten van de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft werden na de hereniging van de twee jarenlang gescheiden genootschappen ondergebracht in het Goethe- und Schiller-Archiv, met uitzondering van het archief van de Gesellschaft- West voor de jaren 1963-1994.[27]

Enkele dagen na het overlijden van de Groothertogin werd op initiatief van de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft besloten, op 8 october 1897, de dag van het 55-jarig jubileum van het huwelijk van het vorstenpaar, in de Sophienstift een gemeenschappelijke herdenkingsplechtigheid te organiseren van de gezamenlijke genootschappen en instellingen waarvan de Groothertogin beschermvrouwe was. In de herdenkingsrede schetste Kuno Fischer nog een keer de wezenlijke eigenschappen van de beschermvrouwe die ook in het bijzonder hadden bijgedragen tot het succes van de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft:

Ihre Bestrebungen und Pläne, immer auf die Förderung großer und guter Zwecke gerichtet, wurden bis ins Einzelne genau durchdacht, sorgfältig erwogen, methodisch geordnet, mit der sicheren Hand festgehalten, mit der freigebigsten ausgeführt; alles geschah aus eigenster Ueberlegung, alles wurde auf wohlgeordnete und fortwirkende Einrichtungen gegründet. Was die Großherzogin gewollt und geschaffen hat, das lebt und besteht, denn diese große und gute Frau hat gesagt: "Je maintiendrai."[28]

Voor de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft betekende de dood van de Groothertogin echter geen breuk met het vorstenhuis in Weimar. Op verzoek van het genootschap bleek aartshertog Carl Alexander bereid om het protectoraat van zijn vrouw over te nemen. In zijn antwoord op het verzoek van de Deutsche Shakespeare-Gesellschaft, op 23 october 1897, omschreef hij het werk van de Groothertogin als volgt:

Sie hat sich seit nunmehr 33 Jahren einer hohen, auch für das deutsche Geistesleben überaus fruchtbaren Aufgabe gewidmet, ist ihr stets treu geblieben und nimmt im In- wie im Auslande eine gleich angesehene Stellung ein. Ich hoffe, dass es auch Mir gelingen werde, unter Gottes Beistand ihre Arbeiten zu fördern und ihre Bestrebungen unterstützen zu können, wie es die Stifterin gethan.[29]

De Deutsche Shakespeare-Gesellschaft heeft nu meer dan 2700 leden; haar bibliotheek die in 1994 als schenking aan de Herzogin Anna Amalia Bibliothek werd overgedaan omvat ongeveer 10.000 boekdelen.[30] Het oorspronkelijke idee voor een Duits Shakespeare-genootschap kwam van Wilhelm Oechelhäuser. De verwezenlijking ervan zou echter zonder de inzet en de daadkracht van Groothertogin Sophie von Sachsen-Weimar, Prinses der Nederlanden, nauwelijks denkbaar zijn geweest.

[Summary: This article written in commemoration of the 100th anniversary of the death of Sophie von Sachsen-Weimar, Grand Duchess of Saxony describes her activities as the first patroness of the German Shakespeare Society (1864-97). It also gives some biographical details and portrays some of her other cultural and social interests.]

1. Een eerdere versie van dit artikel verscheen onder de titel "`So klug wie gütig, so gerecht wie mild': Zum 100. Todestag der ersten Protektorin der Deutschen Shakespeare-Gesellschaft, Großherzogin Sophie von Sachsen- Weimar, Königliche Prinzessin der Niederlande," in Shakespeare-Jahrbuch 133 (1997), 180-90. Het citaat uit de titel is ontleend aan Friedrich Bodenstedt, "Widmungsgedicht des Jahrbuches der Shakespeare-Gesellschaft," 1865, in Thüringisches Hauptstaatsarchiv Weimar, Hausarchiv A XXVII Nr 222a. Nederlandse vertaling: Ton Hoenselaars.

2. Paul von Bojanowski, "Die Gedächtnißfeier für die Großherzogin Sophie von Sachsen," Shakespeare-Jahrbuch 34 (1898), 3-8 (8).

3. Paul Heyse, "Großherzogin Sophie von Sachsen," Weimarische Zeitung 95 (24 april 1897); en Paul Heyse, Gesammelte Werke, 3de reeks, deel 5 (Stuttgart en Berlijn, z.j.), 391 e.v.

4. Eleonore von Bojanowski, "Die erste Protektorin der Deutschen Shakespeare-Gesellschaft, Großherzogin Sophie, und ihr Enkel, Großherzog Wilhelm Ernst von Sachsen," Shakespeare-Jahrbuch 59-60 (1924), 1-7 (2).

5. Erich Schmidt, "Sophie, Großherzogin von Sachsen, Königliche Prinzessin der Niederlande," Goethe Jahrbuch 18 (1897), i-vi (iv).

6. De Ideen zur Gründung einer Deutschen Shakespeare-Gesellschaft (1863) werden herdrukt in Shakespeare-Jahrbuch 58 (1922), 29-38.

7. Zie necrologie van James Marshall, Shakespeare-Jahrbuch 17 (1882), 278-80.

8. Vertaald naar Wolfgang von Oechelhäuser, Leben und Wirken des Doktor phil. h.c. und Geheimen Kommerzienrat Wilhelm Oechelhäuser (Berlijn-Charlottenburg, 1937). [typoscript]

9. Michael Knoche, "Das andere Weimarer Shakespeare-Denkmal," Weimar Kultur Journal 4 (1993), 30-31 (31). Zie tevens Werner Habicht, "Die Shakespeare-Bibliothek in Weimar," in Shakespeare-Jahrbuch 133 (1997), 347-50.

10. Zie Shakespeare-Jahrbuch 28 (1893), 18; en Wilhelm Oechelhäuser, "Die Deutsche Shakespeare-Gesellschaft," in idem, Shakespeareana (Berlijn, 1894), 1-22 (19).

11. Zie necrologie: "Dem Gedächtnis der Großherzogin Sophie von Sachsen," Shakespeare-Jahrbuch 33 (1897), iii-vii; en Eleonore von Bojanowski, Shakespeare-Jahrbuch 59-60 (1924), 2.

12. "Pflichten erfüllen zu müssen ist mir immer eine Wohltat," in Paul von Bojanowski, Die Großherzogin Sophie und das Patriotische Institut der Frauen-Vereine im Großherzogtum Sachsen. Vortrag gehalten in der General-Versammlung des Vaterländischen Frauen-Vereins zu Berlin am 31. März 1889 (z.pl., z.j.), 11.

13. Jutta Hecker, "Großherzogin Sophie oder Die Pflicht der Erben," in Jutta Hecker, Wunder des Worts: Leben im Banne Goethes (Berlin, 1989), 51.

14. Martin Lehnert, "Hundert Jahre Deutsche Shakespeare-Gesellschaft," in Shakespeare-Jubiläum 1964. Festschrift zu Ehren des 400. Geburtstages William Shakespeares und des 100jährigen Bestehens der Deutschen Shakespeare-Gesellschaft herausgegeben im Namen der Gesellschaft von Anselm Schlösser (Weimar, 1964), 1-40 (9).

15. Vgl. Thüringisches Hauptstaatsarchiv Weimar, Hausarchiv A XXVII, Nr. 197.

16. Lina Schneider, "Shakespeare in den Niederlanden," Shakespeare-Jahrbuch 27 (1891), 26-42.

17. A. M. Gerth van Wijk, Prinses Sophie der Nederlanden. Groothertogin van Saksen. Een Levensschets (Rotterdam, 1898), 63.

18. "Die erste Protektorin der Deutschen Shakespeare-Gesellschaft, Großherzogin Sophie, und ihr Enkel, Großherzog Wilhelm Ernst von Sachsen," Shakespeare-Jahrbuch 59-60 (1924), 1-7 (1-2).

19. Paul von Bojanowski, Die Großherzogin Sophie und das Patriotische Institut der Frauen-Vereine im Großherzogtum Sachsen. Vortrag gehalten in der General-Versammlung des Vaterländischen Frauen-Vereins zu Berlin am 31. März 1889 (z.pl., z.j.), 11.

20. Eleonore von Bojanowski, "Großherzogin Sophie von Sachsen-Weimar. Zum 100. Geburtstag, 8. April 1924," Deutsche Rundschau, 50 (1924), 82-87 (84).

21. Hecker, 57; en W. Berbig, "Sophie, Wilhelmine Marie Louise, Großherzogin von Sachsen-Weimar-Eisenach," in Allgemeine Deutsche Biographie 54 (Leipzig, 1908), 396-99 (397).

22. Walther von Goethe liet de Groothertogin de handschriften van Goethe na "als einen Beweis tief empfundenen, weil tief begründeten Vertrauens" (Hecker, 72).

23. Carel ter Haar, Großherzogin Sophie eine niederländische Königstochter verwaltet Goethes Erbe, Nachbarn, nr. 37 (Bonn, 1993), 30.

24. Hermann Grimm, "Vorwort," in Goethes Werke, red. in opdracht van Groothertogin van Sachsen, Deel 1 (Weimar, 1887), xi-xvii (xiv).

25. Opgenomen werd de voorwaarde "daß die Herren Redactoren keinen wichtigen Schritt thun ohne mein Vorwissen und mein Einverständnis und dieselben haben die bestimmte Zusicherung erhalten, daß ich gewissenhaft dieselbe Handlungsweise durchführen werde" (ter Haar, 28).

26. Jochen Golz, "100 Jahre Goethe- und Schiller-Archiv Weimar: Pantheon deutscher Literatur," Weimar Kultur Journal 6 (1996), 22-23 (23); en idem, "Das Goethe- und Schiller-Archiv in Geschichte und Gegenwart," in Das Goethe- und Schiller-Archiv 1896-1996. Beiträge aus dem ältesten Literaturarchiv, red. Jochen Golz (Weimar, 1996), 13-70.

27. Ulrich Suerbaum, "Akten, Archivalien, Bücher: Der Verbleib der Bochumer Bestände," Shakespeare Jahrbuch 132 (1996), 317-18 (318); en Golz, "Das Goethe- und Schiller-Archiv," 60.

28. Kuno Fischer, "Großherzogin von Sachsen, Königl. Prinzessin der Niederlande. Gedächtnisrede in der Trauerversammlung am 8. Oktober 1897 im Sophienstift zu Weimar," in Kuno Fischer, Kleine Schriften 8 (Heidelberg, 1898), 451-510.

29. Friedrich August Leo, "Rückblick auf das fünfundzwanzigjährige Bestehen der Deutschen Shakespeare-Gesellschaft," Shakespeare-Jahrbuch 24 (1889), 1-8 (1-2).

30. Michael Knoche, "Die Shakespeare-Bibliothek in Weimar," Shakespeare-Jahrbuch 131 (1995), 319-20 (319).

 

Terug naar de nederlandstalige overzichtspagina

Back to the English home page

Back to the Table of Contents of Folio