S I G N A A L

 

Werner Habicht, Shakespeare and the German Imagination. International Shakespeare Association, Occasional Paper, No. 5. Hertford: Stephen Austin and Sons Ltd., 1994.

 

Eerder dit jaar publiceerde de International Shakespeare Association (Stratford-upon-Avon) de vijfde lezing in de reeks `Occasional Papers': "Shakespeare and the German Imagination" van Werner Habicht. Habicht is hoogleraar Engels aan de Universiteit van Würzburg, en al jarenlang voorzitter van de Duitse Shakespeare Gesellschaft West, die na de val van De Muur werd verenigd met de Shakespeare Gesellschaft Weimar. Deze lezing werd oorspronkelijk gehouden aan de Universiteit van Adelaide, en in tijdens de jaarlijkse conferentie van het Franse Shakespeare-Genootschap waar ik haar in 1993 voor het eerst hoorde. Centraal staat de curieuze mythe rond Shakespeare die zich ontwikkelde tussen het midden van de achttiende eeuw en het midden van de twintigste eeuw. Deze mythe hield in dat, om het eenvoudig te zeggen, Shakespeare een Duitser zou zijn, of zou moeten zijn, of het zou hebben moeten zijn. De ideologie die een dergelijke mythe in zijn culturele en politieke context mogelijk maakt, zo meent Habicht, is tot op heden niet grondig genoeg bestudeerd. Echter, omdat de materie uiterst complex is, beperkt Werner Habicht zich tot het signaleren van een aantal problemen waarop een AIO of OIO te zijner tijd wellicht meer licht zou kunnen werpen.

De bewondering die Lessing en Herder voor Shakespeare koesterden, kwam niet slechts voort uit het feit dat zij hem als een verwante `noordelijke' geest beschouwden. Deze bewondering kan ook worden uitgelegd als een vorm van verzet tegen het Franse classicisme, dat bij monde van Voltaire Shakespeare verwierp omdat deze de regels van het klassieke drama met voeten trad. De keuze van Shakespeare als model voor de Duitse nationale identiteit was dus niet zo maar een zaak tussen Duitsland en Engeland, maar zeker ook tussen Duitsland en Frankrijk. Ironisch is wel dat Shakespeare Duitsland bereikte juist via Frankrijk waar Jean François Ducis zich voor de toneelschrijver had ingezet. Niet minder ironisch is een ander feit. De Duitse Sturm und Drang-dichters, zo is bekend, vereerden Shakespeare om zijn durf, zijn vrijheidsdrang en zijn onafhankelijkheidsgevoel. Zij lieten zich dan ook openlijk inspireren door de Bard bij het schrijven van hun eigen toneelwerk, en vestigden hier ook graag de aandacht op. Maar zodra men de stukken van de grote meester zelf op de planken bracht — zo betoogt Habicht — werden zij gekortwiekt, gekuist, verduidelijkt, en zelfs, zoals het destijds heette, verbeterd. Het personage van Othello in de bewerking van het gelijknamige treurspel door Christian Heinrich Schmid uit 1776, was nu een blanke Venetiaan wiens enige gevaar voor het Italiaanse (lees: Duitse) establishment eigenlijk gelegen was in zijn nederige afkomst.

Op niet minder gedetailleerde manier tekent Habicht de houding van de Duitse Romantici. Zo sprak Shakespeare-vertaler August Wilhelm Schlegel in een brief aan Ludwig Tieck (die op dat moment van plan was om een boek over de toneelschrijver uit Stratford te schrijven): "Ik hoop dat u erin zult slagen om onder andere te bewijzen dat Shakespeare geen Engelsman was. Hoe raakte hij ooit verzeild tussen die kouwe kikkers en domkoppen op dat ongecivilizeerde eiland?" Het duurde niet lang, of Shakespeare werd door de Duitser verheven tot een positief, geestelijk alternatief voor Napoleon die Duitsland militair onder de voet had ge-lopen. Met zulke uitwassen ontwikkelde zich gelukkig ook een zekere scepsis. Grabbes Über der Shakespearo-Manie gaf een goede aanzet, die naklank vond bij onder meer Franz Grillparzer.

Ondanks deze scepsis echter werd Shakespeares werk, en in het bijzonder de vermeend nationalistische koningsdrama's, toch in toenemende mate geplunderd voor politieke doeleinden — om voorbeelden te leveren voor een beoogd nationaal leiderschap. Bismarck citeerde dikwijls Shakespeare, en mede door de inzet van de Shakespeare Gesellschaft Weimar — "We want to de-Anglicize the Englishman Shakespeare, to Germanize him in the widest and deepest sense of the word" — was het mogelijk om na de Frans-Pruissische Oorlog van 1870-1871 te horen beweren dat de ware patriottistische Duitser verantwoording verschuldigd was aan de geestelijke held van de broedernatie. Shakespeare was een onvervreemdbaar deel van de vermeende identiteit van de Duitser die vooreerst een literair model waarbij de vrijheid hoog in het vaandel stond, en tevens een auteur die de nationale eenheid als sine qua non betrachtte voor welke staatsvorm dan ook. Hoe twijfelachtig en hypocriet de ideologie was die hierachter schuil ging, werd pas goed duidelijk aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Nu stonden Engeland en Duitsland lijnrecht tegenover elkaar, en werd de Britten alvast hun Swan of Avon ontnomen door middel van hetgeen bekend zou worden in de vorm van de slogan, geformuleerd door de toneelschrijver Gerhart Hauptmann: "Er is geen natie, zelfs de Engelse niet, die zoveel aanspraak kan maken op Shakespeare als de Duitse [...] en ook al werd hij geboren in Engeland en ligt hij daar ook begraven, dan is het toch in Duitsland dat hij nog waarlijk voortleeft".

Tot op dit punt is de verhandeling van Habicht voorbeeldig. De auteur is zéér belezen waar het zijn primaire en secundaire bronnen betreft (een feit dat ook uit de 79 lange, bibliografische eindnoten moge blijken), weet het (soms toch al wel bekende) materiaal op een fijnzinnige manier te politiseren, en distantieert zich op een discrete manier van de soms gênante gegevens door hier en daar zijn toevlucht te nemen tot een vleugje ironie. De lezer heeft echter het recht om een aantal vraagtekens bij de tekst te plaatsen wanneer de auteur de historische beschrijving van de periode tussen de Eerste Wereldoorlog en vandaag de dag tracht samen te vatten in één enkele alinea. Deze wijziging in strategie is opvallend. Allereerst gaat Habicht over tot een weinig relevante bespreking van de Schlegel-Tieck vertaling. Vervolgens besteedt hij aandacht aan de opvoeringspraktijk van A Midsummer Night's Dream in Duitsland. Ten slotte concludeert hij dan dat aangezien na-oorlogse praktijken in het Duitse theater duidelijk het stempel dragen van het vernieuwende werk van regisseurs als Peter Brook in het buitenland, de Duitse Shakespeare-beleving nu toch eindelijk deel is gaan uitmaken van een interculturele, internationale ervaring die op haar beurt des te duidelijker maakt dat de vroegere beleving van Shakespeare een ware mythe was.

Een dergelijke conclusie doet enigszins modieus aan, maar zoiets neem je graag voor lief wanneer je getrakteerd bent op zoveel nieuwe feiten die verwerkt zijn tot zo'n goed verhaal. Alleen blijven er de vragen: Hoe werd Shakespeare geïntegreerd in de ideologie van het Derde Rijk, en welke vormen nam het onvermijdelijke protest aan? Werd slechts de idee van de wedergeboorte die doorgaans wordt geassocieerd met de periode waarin Shakespeare schreef, gekoppeld aan die van een nieuw, een Derde Rijk onder Hitler? Het is waar dat Werner Habicht in zijn "Shakespeare and the Theatre Politics in the Third Reich" (1989) meer aandacht besteedt aan het fenomeen, maar dat is op zich geen reden om er zo terughoudend over te zijn. Het antwoord is, lijkt mij, dat het onderwerp tot op de dag van vandaag grotendeels braak is blijven liggen, met ander woorden: er is werk aan de winkel voor mensen die zich bezig houden met het receptie-onderzoek. Een dergelijk project zou natuurlijk moeten worden uitgevoerd door iemand met een zéér fijn gevoel en een grote liefde voor detail, net zoals Habicht beide ten toon spreidt, en met de ob-jectiviteit die hem uitermate siert. Voorts zou bij het bestuderen van het materiaal speciaal gekeken kunnen worden niet zozeer naar de ideologie die een mythe kan genereren en in stand houden, maar de omstandigheden waaronder en de wijze waarop mythen en andere soms aan twijfel onderhevige cultuuruitingen uiteindelijk toch worden ontmaskerd — zoals de afgelopen jaren ook reeds is gedaan met Faustus, een ander beroemd fenomeen uit de Duitse cultuurgeschiedenis dat niet minder inkt heeft doen vloeien dan Shakespeare.

 

TON HOENSELAARS

 

Terug naar de nederlandstalige overzichtspagina

Back to the English home page

Back to the Table of Contents of Folio