KONING LEAR

door Jozef de Vos


Recensie


Koninklijke Vlaamse Schouwburg, Brussel, in co-productie met Het Nationale Toneel Den Haag

première voor Vlaanderen: 16 November 1993. regie: Franz Marijnen. vertaling: Hugo Claus. decor: Santiago del Corral. kostuums: Mechtild Schwienhorst.

hoofdrollen: André van den Heuvel: Koning Lear. Bien de Moor: Cordelia. Josée Ruiter: Goneril. Marie-Louise Stheins: Regan. Freek de Jonge: De Nar. Hans Croiset: Gloucester. Peter Blok: Edgar. Peter Tuinman: Edmond.

 

Meer nog dan Hamlet is King Lear de Shakespeare-tragedie bij uitstek die tot onze tijd schijnt te spreken. De wreedheid, de absurdistische mogelijkheden en ook het gevoelen dat de mens zijn eigen totale ondergang kan bewerken, zijn enkele kenmerken die de hedendaagse affiniteit met dit stuk verklaren.

Franz Marijnen regisseerde het stuk in 1987 bij het Nederlands Toneel Gent.(1) Deze versie was onmiskenbaar de basis van de co-produktie van kvs-Brussel en Het Nationale Toneel, Den Haag, die begin van dit seizoen eerst in Nederland en daarna in Vlaanderen te zien was. Marijnens Gentse versie trof door haar soberheid en verinnerlijking. Hij slaagde erin het werk in zijn totaliteit te doen spreken; het was tevens een zuivere opvoering zonder wanklanken. Er werd ook nauwelijks in de tekst ingegrepen en de sobere enscenering maakte enkel gebruik van zwarte doeken. Deze benadering leek erg adequaat voor een stuk dat wellicht in de eerste plaats moet worden opgevat als een drama over de mens die het universum probeert te begrijpen. Honigmann wees op de gelijkenis met stukken als Faust en Elckerlyc, waarin de held een reis of zoektocht onderneemt die uiteindelijk leidt tot zelfkennis of verlossing. Het centrale personage is een zondaar die een denker wordt.(2) In Marijnens produktie leek de hele enscenering, waarvoor het decor ontworpen was door Jean-Marie Fiévez, op deze innerlijke ontwikkeling afgestemd. Er werd gespeeld op een naakte, hellende plankenvloer. De gehele scène werd gedomineerd door reusachtige zwarte doeken, die soms bepaalde locaties suggereerden maar meestal een abstracte ruimte vormden. Het aanwenden van een hel, wit licht op de in het zwart gehulde scène, droeg bij tot het creëren van een volstrekt theatrum mundi. In de kostumering viel de scherpe zwart-wit tegenstelling op waardoor de karakters een enigszins allegorische kracht kregen.

Precies die strakheid en de allegorische tendens werden afgezwakt in de nieuwe versie van KVS-Het Nationale Toneel. Bijna zeven jaar na de NTG-interpretatie, waarin hij het stuk tot op het bot analyseerde, lijkt het of Marijnen zijn analyse opnieuw wilde inkleuren met nuances, met meer menselijke toetsen. Daarbij werd hij gediend door een sterke bezetting, vooral in de kleinere rollen. Aansluitend bij deze tendens naar meer nuancering werd er een minder demonstratief gebruik gemaakt van bepaalde theatrale middelen. Zoals in de Gentse produktie werd het scènebeeld voornamelijk bepaald door een schuin oplopend speelvlak met achteraan enkele openingen. Wellicht oordeelde Marijnen dat het manipuleren van de doeken afleidde van het dramatische gebeuren, want in de nieuwe versie werden zij enkel in de stormscène aangewend.

De storm is altijd een beetje een toetssteen voor een Lear-produktie. De uitdaging voor de acteur die Lear speelt, is dat hij temidden van de losgeslagen natuurelementen tegelijkertijd moet tonen dat de storm toch allereerst in zijn hoofd raast. Marijnen koos duidelijk voor een verinnerlijking en slaagde erin een hallucinant beeld te creëren. Op enkele tromslagen na verliep de storm in stilte. De nu roodgekleurde doeken wolkten op en neer totdat plots vóór Lears "Brul, loei je darmen uit! Spuw vuur!" onder de doeken de drie silhouetten van de dochters zichtbaar werden. Zij herhaalden enkele frasen uit voorafgaande scènes die als het ware rondspookten in Lears brein. Bij dit alles liep de Nar (gespeeld door Freek de Jonge) onwezenlijk aan een windorgeltje te draaien, zodat het geheel een hallucinant gebeuren werd. Ook hier werd een en ander minder nadrukkelijk gebracht -- het akelige, heksachtige lachen van de zusters was er bij voorbeeld niet meer bij -- zodat de storm zelf niet alleen een prelude tot Lears waanzin was maar ook een beeld van de verstoorde orde in het universum. In de kostumering werd de tendens tot zwart-wit allegorisering afgezwakt en werden meer hedendaagse lijnen en kleuren ingebracht.

Een van de sterkste interpretatorische ingrepen die onmiskenbaar het stempel van Franz Marijnen droeg in de NTG-produktie was zijn visie op de blindmaking van Gloucester. Het perverse seksuele spel tussen Regan en Cornwall, dat met dit afschuwelijk wrede gebeuren gepaard ging, maakte de scène zo mogelijk nog schokkender. Deze interpretatie sloot aan bij en verklaarde tot op zekere hoogte Lears bijna obsessieve walging van het sexuele. Het "onnatuurlijk" vertoon benadrukte bovendien het ruimere thema van de breuk in de natuur. Ook in de nieuwe produktie werd de idee behouden maar was de scenische uitwerking minder nadrukkelijk en minder lang uitgerekt. Overigens kunnen we hier meteen ook aanstippen dat Marijnen in de recente produktie ook de korte dialoog van de dienaren behield die op de blindmaking volgt. Dit is belangrijk want samen met het verzet van de eerste dienaar die zijn interventie met zijn leven moet betalen, toont hun medeleven dat er in deze duistere wereld ook nog positieve gevoelens bestaan. Deze korte actie en dialoog luidt de tegenbeweging in die in het stuk op gang komt.

Meer nuancering en minder nadrukkelijkheid bleken ook uit de openingsscène, die bij het NTG zo scherp en trefzeker in beeld gebracht werd dat zij een ware ouverture tot het drama werd, waarin niet alleen de karakters en de thema's werden voorgesteld, maar waarin tevens al de belangrijkste conflicten al voelbaar werden. Dit eenvoudig ceremonieel -- er werd slechts gebruik gemaakt van een negental stoelen opgesteld in een halve cirkel -- was vooral een besloten familie-aangelegenheid. Er werd in het algemeen in de nieuwe produktie minder strak en in een sneller tempo gespeeld. André van den Heuvel als Lear verscheen meteen als een grillig man, die met een bijl enkele planken uit de vloer loskapte en dan een schoenendoos bovenhaalde waarin de documenten voor de verdeling van de erfenis zaten. Daarmee werd zowel de buitenissigheid als het egocentrisme van Lear reeds aangeduid. Toen Lear zijn dochters vroeg hoeveel zij van hem hielden, was Goneril (Josée Ruiter) eerst even onthutst en sprakeloos. Aangespoord door haar man legde zij echter meteen een welsprekende liefdesverklaring af. Dat deed Regan (Marie-Louise Stheins) op haar beurt duidelijk op een heel geslepen wijze. Bij de woorden "Maar zij is tekort geschoten" wendde zij zich uitdagend tot haar zuster, zodat de rivaliteit tussen beiden hier treffend gereveleerd werd. Toen Lear haar erfdeel bekend maakte, nam hij even het verkeerde papier in de hand, een detail waaruit bleek dat hij de hele charade gepland had. Het slot van deze scène was bijzonder frappant en geladen. In een ultieme poging tot verzoening liep Cordelia (Bien de Moor) naar Lear toe en omarmde hem. Brutaal en schijnbaar gevoelloos duwde hij zijn dochter van zich weg.

André van den Heuvel bracht een interessante en boeiende Lear-vertolking op de planken. In de openingsscène tekende hij een eigengereide, onverzettelijke oude man die lak heeft aan het protocol en die onmiskenbaar despotische trekken heeft. Alleen hij bepaalt de gang van zaken. Een zekere agressiviteit kwam zelfs aan het licht toen hij zijn nar bij de keel greep. Aanvankelijk was deze Lear zeer kalm, rationeel zelfs. "Is hier iemand die mij kent...?" werd rustig -- maar niet zonder ironie -- uitgesproken terwijl hij nog aan tafel zat. Geleidelijk aan liet Van den Heuvel doorschemeren dat zijn masker van zelfverzekerdheid een grote ingehouden woede verborg die pas in de stormscène zou losbarsten. Dat Lear tot inkeer komt, bleek uit de bijna ingetogen wijze waarop hij zich richtte tot de "arme naakte stumperds". En bij de frase "Ik ben een man tegen wie meer gezondigd is dan hij zelf gezondigd heeft" nam hij een schier profetische houding aan. In de waanzinscènes die later volgen zagen we niet alleen een berustende maar ook een gelouterde, wijzer geworden Lear.

Het was een schitterende idee om de Nar te laten spelen door Freek de Jonge. Het concept en de concrete invulling van deze rol is een van de moeilijkste uitdagingen voor een hedendaags regisseur. In geen enkel ander stuk van Shakespeare is de rol van de Nar zo cruciaal als in King Lear. Vanaf het begin van het stuk vertolkt hij een heldere kijk die contrasteert met Lears blindheid. Hij confronteert de koning met de waarheid en wijst hem in zijn grapjes op zijn enorme dwaasheid. De hedendaagse toeschouwer heeft geen voeling met de traditionele nar, maar zijn rol is zo belangrijk dat de regisseur en de acteur een geldig equivalent moeten vinden. Het inschakelen van een artiest met een persoonlijkheid als Freek de Jonge is een ideale oplossing. Ten eerste is hij als artiest helemaal de bitter fool die Lears nar is en ten tweede is hij letterlijk in het toneelgezelschap een vreemde eend in de bijt. Ook de fool is een geïsoleerde figuur die precies daardoor allerlei kritische opmerkingen mag plaatsen. Ten derde is hij het type entertainer dat het hedendaagse publiek wel ligt. Met zijn veel te grote pet, een koffertje en paraplu dwaalde hij als de wijze gek door het stuk. Nog voor de dramatische openingsscène liet hij zich al even zien. Hij blies een papieren zak op en liet hem ontploffen: een parodie op de hele tragedie? In zijn vertolking kon Freek de Jonge heel scherp uitvaren tegen Lear. De tekst had hij enigszins naar zijn hand gezet zodat hij zich ook enkele hedendaagse toespelingen kon permitteren. Vrijwel alle belangrijke functies van de oorspronkelijke fool werden aldus verenigd in de bovendien sterk persoonlijke figuur van Freek de Jonge.

Had Franz Marijnen duidelijk de neiging om zijn eigen visuele inspiratie en accenten te temperen ten gunste van een bijna serene versie van dit overweldigende stuk, dan is er toch één beeld dat een sterke indruk maakte, precies omdat het ingeschakeld was in deze sobere regie en op het juiste moment kwam. De laatste maal dat de toeschouwers Gloucester te zien kregen, leidde Edgar hem naar het midden van de scène, waar hij naar de toeschouwers gekeerd zat, geknield en op het gelaat de uitdrukking van een afgrijselijke schreeuw. Achteraan verscheen in een klein uitgespaard kader het beeld van een hoop lijken. Het effect van dit tableau was even aangrijpend als van Edward Munchs schilderij De Schreeuw. In zijn samengebalde expressie volstond dit beeld als weergave van de gevechtsscènes en gaf het uitdrukking aan Gloucesters ervaring. Maar bovenal werd het een embleem voor de wanhoopskreet die Koning Lear voor Marijnen werd. Is dit tableau een aanwijzing dat zijn interpretatie, meer dan in de soms zelfs religieus gekleurde NTG-versie, naar een negatieve, wanhopige visie overhelt?


1. Voor een uitvoerige analyse van deze productie, zie mijn "Koning Lear door het Nederlands Toneel Gent: Tragedie in een somber universum," Documenta V (1987) 1: 5-12.

2. E.A.J. Honigmann, "The Uniqueness of King Lear: Genre and Production Problems," Shakespeare Jahrbuch (West) 44 (1984): 44-61.