EEN KLEINE ROMEO EN JULIA

In gesprek met Liesbeth Coltof

 

Gerda Moesbergen

 

GERDA MOESBERGEN: Waarom is er besloten om Shakespeares Romeo and Juliet voor kinderen te bewerken? Met andere woorden, waarom acht u dit stuk zo geschikt voor kinderen?

LIESBETH COLTOF: De beslissing om dit stuk te gaan doen, ligt in een groot internationaal project dat ik gedaan heb in vluchtelingenkampen in Kroatië. Wat mij zo trof was het feit dat kinderen van strijdende partijen niets anders wilden dan de oude situatie, waarin ze weer vriendjes konden zijn. Wat ik daar zag, was dat die kinderen aan de ene kant de haat van hun ouders hadden overgenomen en aan de andere kant hun eigen bestaan hadden waarin ze de beste vriendjes waren. Dat vond ik een mooi gegeven en toen ik aan het kijken was wat ik wilde doen, was dat iets wat mij ook trof in Romeo and Juliet. Daarnaast wilde ik ook graag een keer een Shakespeare doen. En omdat natuurlijk deze Shakespeare gaat over twee kinderen die hun eigen leven willen leiden, wat hun door de volwassenen min of meer onmogelijk wordt gemaakt, leek het mij een geschikt stuk om voor kinderen te bewerken. Het heeft ook iets sprookjesachtigs tegelijkertijd, dat heeft Shakespeare sowieso, dus het mengt veel verschillende dingen. Dat is gelijk het uitgangspunt geweest bij het maken, dat we veel verschillende stijlen hebben gebruikt om dat rijke Shakespeariaanse neer te zetten voor kinderen.

GERDA MOESBERGEN: Is een publiek van zes jaar niet erg jong voor een stuk waarin de hoofdpersonen zelfmoord plegen?

LIESBETH COLTOF: Als een heel stuk zou gaan over het plegen van een zelfmoord dan denk ik dat zes jaar daar wel wat jong voor is. Maar daar gaat dit stuk niet over. Het gaat over een grote liefde tussen twee kinderen die proberen die liefde te laten overwinnen. En in onze bewerking hebben wij daar rekening mee gehouden. Romeo en Julia gaan wel dood maar dat zie je op de film die wij projecteerden, en de acteur en de actrice die Romeo en Julia hebben gespeeld, zitten daar met z’n tweeën naar te kijken en praten na, een beetje alsof ze Romeo en Julia zijn in de hemel, nadat ze gestorven zijn. Dus aan kinderen wordt ook het signaal gegeven dat het niet ophoudt. Het eindigt niet met een afschuwelijke zelfmoord. Daarnaast is het denk ik zo dat kinderen op een andere manier over de dood denken dan wij; dat zeg maar, de diepte van een zelfmoord eigenlijk een volwassen zaak is en dat kinderen het op die manier niet oppakken. In die zin geloven kinderen ook véél meer dat dingen verhalen zijn en als je kijkt naar de sprookjes en de andere verhalen die ze lezen, dan komen daar vrij gruwelijke dingen in voor en die worden door kinderen veel minder letterlijk genomen dan volwassenen dat doen. Doordat we het stuk voor kinderen opvoeren, is dat wel van invloed en daarom zullen we het verhaal niet daar laten eindigen. Het andere dat van invloed is, is dat je zo'n zelfmoord op verschillende manieren kan laten zien, en daar geeft Shakespeare alle ruimte voor, want ook bij Shakespeare is het een spel van wel dood, niet dood. We laten dus veel ruimte voor de eigen invulling van de kinderen.

GERDA MOESBERGEN: Wat is het doel van het stuk en vinden jullie het belangrijk dat kinderen op jonge leeftijd kennis maken met de klassieken?

LIESBETH COLTOF: Ik vind het moeilijk om te praten over een doel omdat je in de kunst, denk ik, niet praat over zo'n omschreven doel. Doelen is iets dat hoort bij pedagogiek en voor een deel speelt het bewustzijn dat je voor kinderen werkt mee, maar dat zijn vaak andere maatstaven dan louter pedagogische maatstaven. Ik denk dat je wat betreft kunst niet kan spreken over een doel. Je doet het omdat er een noodzaak voor is. Ik denk dat "noodzaak" een beter woord is dan "doel". Je bent als jeugdtheatermaker altijd op zoek naar teksten waarvan jij denkt dat die voor kinderen ook waardevol zouden kunnen zijn. Daarom kom je vroeg of laat ook uit bij de klassieken omdat wat de eeuwen of een heleboel jaren heeft doorstaan voor volwassenen, blijkbaar een authentieke en ook universele kern bevat; en alles wat een universele kern heeft, is geschikt om voor kinderen te bewerken. Daarnaast vind ik het ook nog erg leuk om kinderen in aanraking te laten komen met de klassieken, maar dat is een nevendoel. Wat ik het belangrijkste vind in deze stukken is dat belangrijke dingen uit het menselijk bestaan worden behandeld, en die dingen spelen voor kinderen net zo goed als ze voor volwassenen spelen, al is de uitings- en de verschijningsvorm daarvan natuurlijk verschillend.

GERDA MOESBERGEN: In een recensie in Trouw werd geschreven dat Een kleine Romeo en Julia "geen bewerking meer is maar een nieuw stuk." In hoeverre ben jij het hiermee eens?

LIESBETH COLTOF: Daar ben ik het niet helemaal mee eens. Ik vind het echt een bewerking. We hebben er natuurlijk heel veel dingen aan toegevoegd om het actueel te krijgen, ook om het naar onze zin te krijgen, zoals wij het verhaal wilden vertellen, wat voor ons belangrijk was in dat verhaal. Alleen al het feit dat we het door twee spelers hebben laten spelen, een keuze die te maken heeft met het feit dat ik zowel de liefde als de haat in dezelfde personen wilde laten zien zoals ik dat verschijnsel in Kroatië had ervaren, maar het drijft natuurlijk op Shakespeare. We hebben ook geprobeerd om Shakespeare trouw te zijn ook al zijn we soms van hem afgeweken. Ik vind dat we echt geprobeerd hebben om Shakespeare neer te zetten, en daar waar we afgeweken zijn van zijn tekst hebben we wel geprobeerd om hem in de geest trouw te zijn.

GERDA MOESBERGEN: Hoe ben je te werk gegaan bij het bewerken?

LIESBETH COLTOF: Wij hebben eerst drie weken naar aanleiding van het stuk met elkaar gesproken en geïmproviseerd. Wat belangrijk was, was de keuze voor twee spelers, dat is de crux van de bewerking, dat je het zo gaat doen dat twee mensen het kunnen spelen met behulp van allerlei middelen zoals maskers, kostuums, poppen, film, noem maar op. Ik heb een heleboel vertalingen gebruikt, Komrij, Burgersdijk, Courteaux. Ik denk dat ik wel zes vertalingen heb gebruikt maar uiteindelijk heb ik weinig overgenomen en heb ik geprobeerd om mijn eigen taal te maken. En natuurlijk heb ik ook het origineel gebruikt.

GERDA MOESBERGEN: Volgens Ronald Ockhuysen in De Volkskrant zou je te weinig intriges hebben weggelaten. Heb je ooit overwogen om het verhaal nog sterker te vereenvoudigen? Waarom heb je dit uiteindelijk toch niet gedaan? Welke elementen van het verhaal zouden eventueel weggelaten kunnen worden?

LIESBETH COLTOF: Ik heb niet overwogen om het verhaal sterker te vereenvoudigen. Bovendien is de intrige die Ronald Ockhuysen weg wilde laten, het verhaal rondom Tybalt, ongeveer het draaipunt van de voorstelling, want het feit dat Romeo Tybalt vermoordt kun je nauwelijks zien als een zijlijn; dat zit echt middenin het hart van het drama, dat is de reden waarom Romeo verbannen wordt en waarom uiteindelijk Romeo en Julia sterven door een tragisch misverstand. Ik heb een heleboel dingen weggelaten uit het stuk, maar ik wilde alleen dát weglaten wat het kernverhaal van Romeo en Julia niet aantastte. Dus ik heb bijvoorbeeld bediendes weggelaten. Ik heb verschillende scènes samengevoegd. Ik heb sommige scènes ook bij iemand anders geplaatst. Ik heb de rol van de vrienden van Romeo veel kleiner gemaakt omdat ik die heb over laten nemen door Julia op een aantal momenten, dus heb ik een paar scènes die tussen Romeo en Benvolio zijn, tussen Romeo en Julia laten spelen. Het was mijn streven om het stuk helemaal te spelen en daar waar je dat dan niet doet, is er een goede reden voor omdat het het kernverhaal niet raakt.

GERDA MOESBERGEN: Waarom is er besloten om Julia door vergif te laten sterven in plaats van door een dolk?

LIESBETH COLTOF: Dat heeft te maken met de geloofwaardigheid, omdat kinderen als je een dolk gaat gebruiken toch wel erg graag bloed willen zien en omdat we dat ook ingewikkeld vonden. En eigenlijk vonden we die verbinding tussen hem en haar, dat ze beiden sterven door het gif, een mooiere omdat ook daar voor ons de metafoor in ligt dat ze in principe sterven door het vergif van de haat, de haat die van begin af aan hun liefde vergiftigt.

GERDA MOESBERGEN: Waarom is er besloten om voor Een kleine Romeo en Julia maar twee spelers te gebruiken?

LIESBETH COLTOF: Omdat ik graag wilde werken vanuit het fenomeen dat ik in Kroatië ben tegengekomen, dat kinderen aan de ene kant de liefde en de vriendschap voor elkaar in zich dragen en aan de andere kant de haat die ze van hun ouders hebben meegekregen. In het stuk van Shakespeare zijn die gevoelens verdeeld. Romeo en Julia staan voor de liefde en de beide families staan voor de haat, en mij leek het interessant om het door twee spelers te laten spelen zodat je kon zien dat ze zowel allebei de liefde in zich hadden maar ook allebei de haat. Er zijn een aantal momenten in de voorstelling waarop ze heel scherp schakelen, bijvoorbeeld op het feest waar ze met elkaar dansen en heel verliefd kijken, en dan schakelen ze heel snel en zijn ze ineens Tybalt en de vader van Julia, en krijg je een enorme haat-tirade tegen Romeo die op het feest is, en dan neemt de speler die Romeo is het masker van Tybalt weer af en is hij weer Romeo. Je ziet dan hoe die dingen in een personage eigenlijk telkens strijden, de liefde en de haat.

GERDA MOESBERGEN: Welke beperkingen zitten er aan het jeugdtheater in relatie tot de stukken van Shakespeare? Met andere woorden, welke aspecten van het jeugdtheater maken het extra moeilijk om een stuk van Shakespeare op te voeren?

LIESBETH COLTOF: Ik denk eigenlijk dat er maar één beperking is en dat is dat je niet de integrale tekst kunt gebruiken. En dat is jammer want de integrale tekst van Shakespeare is natuurlijk heel prachtig. Ik denk dat dat in het jeugdtheater, in ieder geval zoals het op dit moment is (want ik heb ook geleerd om nooit nooit te zeggen), nog moeilijk is. Ten eerste omdat de tijdsduur toe zou nemen, en op dit moment is het in het jeugdtheater niet gebruikelijk dat voorstellingen erg lang duren. De tijd en het feit dat je niet het hele stuk integraal kan spelen, zijn twee beperkingen. Nu wordt zo'n stuk als Romeo and Juliet zelden integraal gespeeld, wordt er eigenlijk altijd al wel in geschrapt en bewerkt. Ik vind dat je de taal van Shakespeare niet altijd zo kan laten als die is omdat dat niet begrepen wordt door jonge kinderen. Aan de andere kant, als we het hebben over de taal, probeer ik wel in de bewerking zoveel mogelijk toch de mooie beelden die Shakespeare in zijn taal gebruikt, intact te laten, omdat één van de belangrijke dingen van Shakespeare natuurlijk het verhaal is dat hij vertelt, maar ook de manier waarop hij het vertelt, met die ontzettend geestige, filosofische en zeer poëtische manier van vertellen. Dat probeer ik wel te bewaren voor kinderen.

GERDA MOESBERGEN: Heb jij een verklaring voor de populariteit van een toneelschrijver als Shakespeare?

LIESBETH COLTOF: Ik denk dat dat komt omdat het stukken zijn die ontzettend goed zijn en die veel verschillende aspecten met elkaar combineren. Het zijn vaak stukken die een mooi en helder verhaal hebben waarmee je je kunt identificeren. Het zijn stukken die verschillende stijlen hebben, van heel ingehouden, ontroerend spel naar heel clowneske. Er zitten ook altijd grappige delen in Shakespeare, die verschikkelijk om te lachen zijn. Shakespeare schrijft over universele thema's en ik denk dat hoe universeler het stuk is, hoe beter het voor het jeugdtheater te bewerken is, dus daarom zijn bijvoorbeeld ook de Grieken een hele tijd zo populair geweest binnen het jeugdtheater omdat het daar eigenlijk hetzelfde is. Dat is het prachtige van Shakespeare dat er veel gebeurt, dus dat het niet alleen maar via de taal gaat.

GERDA MOESBERGEN: Hoe waren de reacties van het publiek op de voorstelling?

LIESBETH COLTOF: De reacties van het publiek op de voorstelling waren heel goed. De kinderen vonden het mooi, moesten vreselijk lachen, waren ook heel erg stil. Volwassenen die met kinderen mee waren gekomen, waren verrast door de voorstelling. De kinderen bleven geboeid, wat erg belangrijk is. Je kon merken dat ze het verhaal oppakten, dat ze het begrepen, dat ze meegingen in die tragiek tussen Romeo en Julia. Je kon merken dat er veel te lachen was en dat ze met name ook de afwisseling van alle middelen die we gebruikten, zoals poppenspel, de oude films, maskers, de voedster die door allebei werd gespeeld en wel in vier gedaantes voorkwam, allemaal erg konden waarderen. Dus ondanks het feit dat het een zwaar thema heeft, was het toch een hele luchtige voorstelling. De meeste volwassenen waren erg enthousiast. Ze vonden dat Shakespeare goed bewaard was gebleven, en dat het toch ook gewoon voor kinderen was. Er waren wel vragen of het voor kinderen van zes allemaal te begrijpen was en ik denk zelf dat op een bepaald niveau kinderen van zes een aantal dingen zeker niet zullen begrijpen. Op een ander niveau zullen ze een heleboel oppakken. Met name de vorm waarin alles werd gedaan is, denk ik, voor kinderen van zes aantrekkelijk omdat het zo afwisselend was. En ik denk ook dat kinderen van zes nog niet zo bezig zijn met het volgen van een verhaal, dat die nog veel meer kijken naar wat ze zien en dat op zich af laten komen, en niet tijdens het kijken zoeken naar verbanden, wat wij volwassenen natuurlijk wel doen.

GERDA MOESBERGEN: Zijn er veranderingen aangebracht in de voorstelling naar aanleiding van reacties van het publiek?

LIESBETH COLTOF: We hebben de voorstelling een paar keer getry-out. Toen was hij nog niet af en naar aanleiding van reacties toen, zijn er zeker dingen veranderd. Dat zijn meestal geen grote dingen, maar wel essentiële dingen. We hadden bijvoorbeeld oorspronkelijk bij Romeo en Julia een veel langere introductie, en we merkten dat de kinderen in die introductie net iets te veel op het verkeerde spoor gezet werden, waardoor ze later moeite hadden om in het verhaal te komen. Toen hebben we een deel van de introductie weggehaald en was het helemaal niet meer ingewikkeld. Zo zijn er nog wel meer voorbeelden van scènes waarvan je denkt "daar zijn ze nog niet helemaal bij", en dan wordt er heel kritisch gekeken waar dat door komt. Heeft dat te maken met hoe we het doen, of heeft het te maken met kinderen van die school op die dag? Maar daar waar we dat kunnen, proberen we altijd dingen aan te scherpen. Dat is eigenlijk wat het kinderpubliek doet, dat helpt je om de voorstelling scherp te krijgen en op punt, zoals we dat dan onderling noemen.

juli 1996

 

Terug naar de nederlandstalige overzichtspagina

Back to the English home page

Back to the Table of Contents of Folio